Skip to content Skip to main navigation Skip to footer

Logement Gladpootjes

Onderstaand stuk is geschreven door Anne Joustra op de Facebook site van “De Hoek Haarlemmermeer”.

Logement Gladpootjes 1

Willem Kroezen was getrouwd met Trijntje Gladpootjes (1884-1956). Trijn was dochter van Jan Gladpootjes (1841-1910) en Jannetje (Jantje) Bakker (1844-1922). Haar vader was net als Willem Kroezen slachter. Ze kwamen oorspronkelijk van West-Friesland. Haar moeder, Jannetje Bakker, was logementshoudster in De Hoek.

Over het logement van vrouw Gladpootjes in De Hoek gaan we het hebben.

Het logement stond halverwege de Kruisweg, vlak naast kolenboer Kromhout. In de oude nummering zat Kromhout op Kruisweg 277 en Gladpootjes op Kruisweg 275. Toen in 1933 de huisnummers aan de Kruisweg veranderden was het logement verdwenen. Kromhout gebruikte de plek voor zijn kolenbedrijf en later de benzinepomp.

Cees Kolle beschrijft het logement in de twintiger jaren. Het was er een komen en gaan van allerlei mensen ‘zonder vaste woon- of verblijfplaats’: marskramers, waarzegsters, scharenslijpers, straatzangers, losse arbeiders en zwervers (Sjappies). De buurt keek er waarschijnlijk met argusogen naar, de kinderen hielden hun adem in als het pand passeerden, maar binnen was het meestal een vrolijke boel. Een beetje ‘Ja zuster, Nee zuster’ van rusthuis Klivia, maar dan met Jannetje Bakker (en later dochter Trijn) aan het roer.

Je had vroeger veel van die ‘volkslogementen’, waar iedereen terecht kon. Ze waren eenvoudiger en dus goedkoper dan de herbergen en beter dan de boerenschuur of hooiberg.

In Haarlemmermeer had je kort na de droogmaking de keten, waarin de polderjongens verbleven. Ook daar zat van alles bij elkaar. Bijna allemaal mannen, die werkten in de polder of hier hun nering sleten. Eén vrouw deed het huishouden en bewaakte de orde. Zij was met één van de mannen getrouwd (bij voorkeur de sterkste) en meestal alleen ‘over de puthaak’. De puthaak was een werktuig, dat werd gebruikt om de loopplanken voor de kruiwagens om te wentelen en te verslepen. Het stel sprong samen over de puthaak en was daarmee getrouwd. Bij gebrek aan burgerlijke stand in de beginjaren kon het vaak niet anders.

De sfeer van de polderketen vind je terug in het volkslogement in De Hoek van vrouw Gladpootjes.

Na het overlijden van haar man in 1910 stond Jannetje Bakker er alleen voor, maar ze had gelukkig hulp van haar kordate dochter Trijn. In 1922 overleed ook Jannetje Bakker. De man van dochter Trijntje, Willem Kroezen, deed voor beide schoonouders aangifte bij de Burgerlijke Stand. Vanaf 1922 runde Trijn Gladpootjes het volkslogement alleen.

De familie Gladpootjes speelde dus een belangrijke rol in De Hoek en in de samenleving als geheel.

Foto 1. Op de plek van de benzinepomp stond het logement (Beeldbank NHA) 2. Trouwen over de puthaak.

Logement Gladpootjes 2

Cees Kolle uit De Hoek had een levendige herinnering aan het logement van Gladpootjes rond 1920.

‘Je stond er toen niet bij stil, maar dat logement vervulde vroeger een heel belangrijke plaats voor de minder bedeelde mensen in de maatschappij. Het was er altijd druk. Graag vertel ik iets over de mensen die er tijdelijk of langer verbleven. Er verbleven veelal mensen die een vrij leven verkozen en niet gebonden wilden zijn aan een vast levenspatroon.
Veel van deze mannen, maar ook vrouwen, verdienden hun brood met handel drijven. De meeste mannen hadden een grote kist, met veel laden daarin. In die laden lag van alles. Naainaalden, stopnaalden, zwart garen, wit garen, veters, band, punaises, aardappelschilmesjes, stofkammen en andere kammen, muizenvallen en nog veel meer kleine praktische huishoudelijke benodigdheden. Deze mannen waren meest welbespraakt en hadden een behoorlijke fantasie. Op die manier lukte het ze goed om hun waren te verkopen.

Ze bleven nooit lang in een bepaalde omgeving, dus het was een gaan en komen van deze kooplieden. De vrouwen die in het logement overnachtten gingen ‘s ochtends al vroeg op pad met een hengselmand aan hun arm. Hier zat hun handel in, meestal hetzelfde als de mannen verkochten. Er waren heel bekende vrouwen bij die regelmatig in de omgeving terugkwamen. Ook deze vrouwen verkozen een vrij leven boven een gebonden leven.
Hoornse Mie kwam jaren lang elke zomer naar het logement van mevrouw Gladpootjes. Mie was niet alleen marskramer maar ook waarzegster en kaartlegster. Met deze twee activiteiten verdiende ze meer dan met haar handel. Daarnaast zocht ze ook graag vertier bij oudere mannen. Andere bekende gasten waren de gebroeders Kees en Jan van Millingen. Deze broers werkten jarenlang gedurende de zomermaanden bij de landbouwer Jacobus van Splunter, op de hoek Sloterweg/Kruisweg. In de herfst vertrokken beiden naar Amsterdam waar ze de winter doorbrachten. Verder had je nog De Slappe met Anna, echte straatzangers, die trokken het land door als echte vagebonden. Zij wisten met het zingen van smartlappen zoveel geld op te halen dat ze er heel goed van konden eten en drinken, vooral het laatste. Als zij in het logement kwamen om te overnachten werd er meestal feest gevierd. Er werd gezongen en gedronken en regelmatig liep het uit de hand en werd het knokken. Op dat moment kwam de dochter van mevrouw Gladpootjes -Trijn- die tussen deze mannen en vrouwen was opgegroeid, tussenbeide en binnen de kortste keren was rust en orde hersteld. Met feesten was het dan soms afgelopen, tenzij men weer vriendschap had gesloten, dan ging het weer door. Als Trijn het welletjes vond zei ze, “en nou is het afgelopen, morgen is het weer vroeg dag” en dan was het feest ook echt afgelopen. Met het geld dat ze verdienden konden ze het verblijf in het logement betalen. Deze mannen, genaamd marskramers, werden in de volksmond kistjesmannen genoemd.

Kistjesman (ter illustatie)

Koopvrouw (kistjevrouw)

(ter illustratie)

De werkdag begon inderdaad vroeg, vooral voor degenen die bij de boer werkten. Om vijf uur begon de werkdag en die was klaar ’s avonds om zes uur, met een onderbreking van een half uur schafttijd, van acht uur tot half negen. Tussen de middag was er tussen twaalf en een uur gelegenheid om je brood op te eten. De boerin bracht dan een grote pot koffie. De marskramers gingen later op pad, maar toch ook vroeg, voor achten in ieder geval. Zij liepen dan naar het verste punt van die dag en begonnen dan op de terugweg naar het logement hun handel te verkopen.

Er waren ook mensen voor wie geen plaats was in het logement. Bijvoorbeeld Halfwegse Jan, beter bekend als Jan Snijkoek. Hij was wat je noemt een vieze man. Hij zat altijd onder het ongedierte, meest luizen. Hij werkte niet. Hij was een echte landloper.

Ook waren er mannen die Sjappies genoemd werden. Dat waren ook vagebonden, die veelal spiritus dronken. Deze mannen gingen met de loondorser mee. Zij werkten meestal als kafdrager bij de dorsmachine en gingen dan van boer tot boer, tot de korenbouw geklaard was. In de zomer sliepen zij meestal in de open lucht, sommigen met een fles spiritus aan hun zij.

Ook waren er logementsgasten die van gegoede komaf waren. Niet veel, maar het kwam wel degelijk voor. Dat waren soms nog best geleerde mensen. Zij hadden bewust gekozen voor dit vrije leven. Ze waren de anderen die niet konden lezen of schrijven hierbij vaak behulpzaam. Dat deden ze voor niets. Het was meestal snel bekend als zo iemand in het logement verbleef.’

Advertentie van het overlijden van Jan Snijkoek in 1977 (alias Cornelis van Assen, 88 jaar oud). Hij werd begraven in Nieuw-Vennep. De bijnaam Jan Snijkoek werd in die tijd wel vaker gegeven, maar het zou zomaar de Snijkoek van logement Gladpootjes geweest kunnen zijn.

Logement Gladpootjes 3

Het logement van Gladpootjes in De Hoek bestond sinds ongeveer 1880. Rond 1900-1910 werden de bewoners van het logement geregistreerd door de gemeente:

Jan Gladpootjes, geboren op 20 november 1841 te Sint Maarten, slachter van beroep. Jantje Bakker, geboren op 26 juni 1844 te Winkel, slaapsteehoudster van beroep. Grietje Gladpootjes, geboren op 15 februari 1876 te Sint Maarten. Jan Gladpootjes, geboren op 22 augustus 1877 te Schagen. Jacob Gladpootjes, geboren op 3 september 1880 te Haarlemmermeer, arbeider van beroep. Trijntje Gladpootjes, geboren op 29 januari 1884 te Haarlemmermeer. Antje Gladpootjes, geboren op 5 augustus 1887 te Haarlemmermeer. Jan Gladpootjes, geboren op 16 februari 1906 te Haarlemmermeer (kind van Grietje)

Pieter Bakker, geboren op 3 januari 1855 te Oudkarspel, arbeider van beroep. Johannes Jacobus Pecht, geboren op 27 december 1868 te Leiden, los werkman van beroep. Abram van der Pol, geboren op 28 maart 1849 te Putten, arbeider van beroep. Cornelis Brak, geboren op 21 februari 1858 te Sint-Maartensdijk, arbeider van beroep. Huibert van Arkel, geboren op 4 november 1864 te Steenwijk, veldarbeider van beroep. Klasina Aaltina Enting, geboren op 29 september 1863 te Assen, koopvrouw van beroep.

Wat je ziet is dat het hele gezin Gladpootjes, inclusief kleinkinderen, in het logement woont. Ook een Pieter Bakker is hier kostganger (misschien de broer van Jantje Bakker).

Verder werden de op dat moment aanwezige andere kostgangers geregistreerd, vijf in totaal. Het zijn meest arbeiders, maar er is ook een koopvrouw bij, Klasina Aaltina Enting. Ze was in 1863 geboren in Assen, Drenthe en zwierf het hele land door met haar koopwaar. In 1910 zat ze wegens landloperij 12 dagen vast in de koepel van Breda, waar ze zich vervolgens ‘goed’ gedroeg, aldus de directeur. Ze overleed in het plaatsje Grave in 1946, 82 jaar oud.

Op de kaart zie je ook het adres (Kruisweg 275) en het moment, dat Jan Gladpootjes en zijn gezin hier met het logement in De Hoek waren gekomen, namelijk 20 januari 1880.

Logement Gladpootjes 4

Er is een verhaal uit 1894, waarin het logement van Gladpootjes in De Hoek een rol speelt.

Het verhaal begint in Limburg, 24 december 1894, de dag voor Kerstmis. Het was een koude winterdag. Kort voor drie uur in de middag streek een doodzieke vrouw met een ongeveer vier jaar oud kind neer op een bank in het dorpje Keer in Limburg. Omstreeks drie uur overleed zij, zittend naast haar zoontje.

Haar overlijden werd door de gemeente Cadier en Keer genoteerd als die van een ‘onbekende vrouw’. Haar leeftijd werd geschat op dertig tot vijfendertig jaar. Haar kleding bestond uit twee zwarte hoofdomslagdoeken, een paar zwarte kousen, een paar klompen, twee rokken en een witte onderbroek. Alles was versleten en vol ongedierte. Zij had dertien cent op zak. Ze was anderhalve meter lang, had donkerblond haar en blauwe ogen en ze miste enkele voortanden.

Na enige naspeuringen werd haar naam bekend: Wilhelmina van Wageningen, geboren omstreeks 1856 in Amersfoort, ongehuwd en Nederlands Hervormd gedoopt. Zij was eind jaren tachtig dienstmeid geweest in Utrecht. Eind 1889 of begin 1890 vertrok zij uit deze stad, samen met een niet met naam genoemde scharenslijper. Ze leidde sindsdien een bedelend bestaan. Enkele maanden voor haar overlijden verbleef zij enige dagen in een logement in Venlo, samen met het jongetje en een zekere Jacob Hunners uit Groningen. Of deze Jacob identiek is met de onbekende scharenslijper is niet bekend. Zeker is, dat zij uiteindelijk in Maastricht belandde. Dat laatste verklaarde zij althans kort voor haar dood aan de toenmalige parochieherder van Cadier en Keer, Andreas Waelbers.

Zoals de vrouw stierf, eenzaam en verlaten, zo was ook haar laatste rustplaats. Zij werd als niet-katholiek begraven op een smalle strook gemeentegrond langs een weg op ongeveer een kwartier van het dorp. Die begraafplek raakte al gauw in de vergetelheid, met Wilhelmina van Wageningen erbij. In de jaren zestig werd de weg verbreed en haar graf verdween.

Het jongetje, dat bij haar was, wist niet veel te vertellen, behalve dat hij Jantje heette. Verder was er niets, ook geen geboorteakte. Formeel bestond hij dus niet. Navraag in vorige verblijfplaatsen van zijn moeder (Amersfoort en Utrecht) leverde niets op. De gemeente Cadier en Keer wilde van het kind af, omdat ‘de opvoeding van dit kind in een totaal katholieke gemeente ongepast is en zeer kostbaar, temeer voor eene kleine arme gemeente’. Geprobeerd werd hem te plaatsen in gesticht De Heibloem, maar zonder geboorte- of doopakte kon dat niet. Het gesticht wilde weten of het kind protestants of katholiek gedoopt was en wie de kosten betalen zou. Dat zou dan toch de gemeente moeten zijn, maar die wilde juist van hem af. Uiteindelijk werd Jantje voorlopig tegen een geringe vergoeding opgenomen bij een inwoner van Keer, Johannes Lardinois.

De gemeente wendde zich vervolgens tot de Rooms-Katholieke kerk. Deze stelde voor voogden te benoemen, opdat het kind gedoopt kon worden. Maar de aanstelling van voogden werd door de rechter afgewezen, omdat niet bewezen kon worden van wie het kind was. Een verzoek om het kind als vondeling te laten registreren, werd eveneens afgewezen. Hij was immers geen pasgeboren kind. Ook het protestants weeshuis in Maastricht wilde het kind alleen opnemen indien er een geldig geboortebewijs was. Uiteindelijk werden twee leden van het Armbestuur van Cadier en Keer voogd en toeziend voogd en nam het protestants weeshuis in Maastricht het jongetje in hun tehuis op. Toen was het inmiddels januari 1897.

Drie jaar later diende het weeshuis bij de rechtbank een verzoek in om de akte van overlijden van de vrouw aan te vullen met haar inmiddels achterhaalde naam en de aantekening dat zij vermoedelijk de moeder was van het kind. De rechtbank wees het verzoek af. Er was geen enkel bewijs, dat de vrouw ook de moeder van het kind was. Kortom, op papier bleef Jantje niet-bestaand.

Intussen groeide hij op. Hij bezocht de openbare lagere school en de jaren verstreken.

Een aantal jaar later ondernam het weeshuis nog een laatste poging. Een beloning van tien gulden werd uitgeloofd voor degene, die het geboortebewijs van Jan (inmiddels 19 jaar oud) zou kunnen opsporen. Hij had dat toch echt nodig in zijn verdere leven, bijvoorbeeld om te kunnen trouwen. De advertentie werd geplaatst in ‘De Gemeente-Stem. Weekblad aan de belangen van de gemeenten in Nederland gewijd’ van 12 juni 1909.

Met succes! Nog dezelfde dag ontving het weeshuis een telegram uit Haarlemmermeer, waarin ene Eggink meedeelde dat hij de akte opgespoord had. De maandag daaropvolgend ontving het weeshuis twee brieven: één van een volontair ter secretarie in Haarlemmermeer (iemand die zonder of tegen geringe bezoldiging werkzaam is) en één van de burgemeester van deze gemeente. De burgemeester schreef, dat twee ambtenaren van zijn secretarie de akte opgespoord hadden (Eggink en de volontair). Er was een geschil gerezen over wie de akte nu het eerst gevonden had en de beloning mocht ontvangen. De regenten van het weeshuis aarzelden niet en stuurden onmiddellijk een postwissel naar de burgemeester. Hoe deze laatste het geschil tussen zijn twee ondergeschikten heeft opgelost, is niet bekend. Twee dagen later kwam het lang gezochte uittreksel van de geboorteakte van Jan. Hieruit bleek dat hij geboren was op 14 mei 1890 in Haarlemmermeer in de woning van de slachter Jan Gladpootjes. Hij werd Johannes Cornelis genoemd en was een zoon van de ongehuwde Wilhelmina van Wageningen. Gezien het jaar van geboorte is het heel goed mogelijk dat de onbekende scharenslijper de natuurlijke vader van het jongetje was. Liet hij Wilhelmina in de steek of verliet juist de vrouw hem? Werd Wilhelmina mishandeld? Ze miste een paar voortanden, dus het zou kunnen.

Het weeshuis stelde per brief ook de burgemeester van Cadier en Keer op de hoogte van het achterhalen van de akte. De briefschrijver eindigde met de woorden: “Het doet mij intusschen genoegen voor Jantje dat deze duistere zaak is opgehelderd”.

En Jan? Hij vertrok op 29 december 1911 uit het tehuis in Maastricht en ging in Houthem wonen, iets buiten Maastricht en daarna in Eindhoven. Daar trouwde hij in 1936 op 46-jarige leeftijd met de 32 jaar oud Clasina Huizer. Daar is hij ook overleden, op 15 januari 1967, 77 jaar oud.

Bron: Lei Haesen, Zwerfster vond de dood in Keer (Historischekring cadier en Keer – Zwerfster vond de dood in Keer).

 Logement Gladpootjes 5

Soms verbleven in het logement ook mensen van bedenkelijk allooi. Zo eentje was Dorus (Theodorus) van ’t Hoff (1865). Hij verbleef in 1904 in logement Gladpootjes in De Hoek. Hij was formeel schoenmaker, maar in de praktijk toch vooral een landloper, die soms in Amsterdam en soms in Haarlemmermeer verbleef.

Hij was vaste gast in café Datema bij de hoek van de Sloterweg en de Venneperweg. Het café en bijbehorend winkeltje en kosthuis was deel van wat hier ooit, op kavel NN 15, hoeve ‘Het Geloof’ was. In 1906 is het café afgebrand en vervangen door het huidige café ‘‘t Ouwe Nest’ (bekend van de Schrama’s).

Ons verhaal speelt twee jaar voor de brand, in 1904.

Café Datema wordt gerund door Franciscus Jans Datema (1848-1904) en Dingena Speelmans (1859-1940). Zij wonen daar met hun kinderen.

Cafébezoeker Dorus van ’t Hoff, een grote stoere vent, maakt diepe indruk op Dingena Speelmans. Dorus verruilt het logement van Gladpootjes voor het kosthuis van de Datema’s en de twee krijgen een verhouding. Maar Frans Datema ontdekt de verhouding en zet Dorus buiten de deur. Die gaat weer terug naar de Gladpootjes. Daarmee komt er echter geen einde aan de verhouding. De twee beginnen een briefwisseling. Daarin stelt Dorus aan Dingena voor om van haar man weg te gaan. Ze schrijft hem terug dat ze wel van hem af wil en dat Dorus wel zou weten hoe of dat moest. Op 6 juni 1904 ontmoeten de twee elkaar op een boot naar Haarlem. Wat daar is besproken is niet bekend, maar op 13 juni 1904 is Datema overleden.

In zijn lichaam wordt een grote hoeveelheid arsenicum gevonden. Dingena Speelmans wordt in hechtenis genomen. Dorus heeft de benen genomen, maar wordt na een opsporingsbevel achterhaald en ook in hechtenis genomen.

Vervolgens schuiven de twee elkaar de schuld toe. Volgens Dingena heeft Dorus het plan bedacht om Datema te vergiftigen en haar opdracht gegeven de arsenicum te kopen. Ze moest zaterdagsnachts de deur open te laten, zodat hij binnen kon komen om het gif in de kom van haar man te doen. Ze vertelt dat zij zich niet had gerealiseerd wat de arsenicum met haar man zou doen. Dorus op zijn beurt verklaart nergens van te weten.

Een belangrijke rol in de rechtszaak, die in november 1904 volgt, speelden Janneke Bakker en haar dochter Trijn Gladpootjes van het logement in De Hoek. Toen Dorus de benen had genomen hadden zij de brieven van Dingena gevonden en de inhoud daarvan was voor haar nogal belastend.

De zaak tegen Dorus kon uiteindelijk niet hard gemaakt worden en hij werd op vrije voeten gesteld. Dingena kreeg een gevangenisstraf van 12 jaar (er was levenslang geëist). Ze zat 9 jaar in de Bijzondere Gevangenis voor Vrouwen in Gorinchem en keerde in 1913 terug in Haarlemmermeer. Met haar verleden had ze hier echter weinig toekomst. In 1916 vertrok zij naar de Verenigde Staten (Ionia County, Michigan). Daar overleed zij op 23 juli 1940 in (Michigan, USA), 80 jaar oud.

Logement Gladpootjes 6

Het logement van Gladpootjes is in 1933 uit De Hoek verdwenen. Maar de familie hield een band met het buurtschap.

De naam veranderde van Gladpootjes in Gladon

In 1978 vestigde de familie zich weer in “de Hoek”. Zij kochten het “Zorgenest” aan de Kruisweg van de familie Zorge. In de loods achter het huis werd Garage Gladon gevestigd. Sinds 1983 richte Jan Gladon samen met zijn vader en broer Bob het transportbedrijf Hoektrans op. Dit draaide enige tijd samen met de garage maar dit was op laatst niet meer haalbaar en zijn ze gestopt met de garage.

In 2000 groeide het bedrijf echt uit zijn jasje en verhuisde naar Schiphol-Rijk alwaar zij tot 2023 gevestigd zijn geweest. Ook daar groeide het bedrijf weer uit zijn jasje hebben zij na 23 jaar “Rijk” verlaten en zijn verhuisd naar een prachtig nieuw industrieterrein in Aalsmeer.

Zoon Paul Gladon is een gewaardeerd profvoetballer. Meer informatie is te vinden op zijn website.